Het Onze Vader
Het “Onze Vader” is het gebed dat de Heer Jezus zelf aan zijn discipelen leerde. We vinden dit beschreven in het Evangelie volgens Matteüs (Matt. 6:9-13) en in het Evangelie volgens Lucas (Luc. 11:2-4). Hierover kunnen we lezen in de Evangeliën van Matteüs en Lucas (Luc. 11:2-4).
De gedachten in de volgende tekst over het gebed van de Heer volgen de uitleg van het Onze Vader door Dr. Martin Luther (1519).
Hoe we moeten bidden
Jezus waarschuwt eerst om niet te bidden zoals de huichelaars doen. Want zij bidden zodat mensen zien hoe vroom ze zijn. We moeten ook niet bidden zoals de ongelovigen, die denken dat ze verhoord worden als ze veel woorden gebruiken (Matt. 6:7).
Het Onze Vader is het gebed van de christenen, dat wil zeggen, van de gelovigen. Een christen bidt kort, maar denkt daarbij veel. Hiervoor moet hij weten wat de woorden betekenen die hij spreekt en waar hij om vraagt wanneer hij het Onze Vader bidt.
Met het Onze Vader toont Jezus ons wat we moeten vragen. Dan kunnen we zo bidden dat ons gebed God behaagt. Wanneer we het Onze Vader bidden of een vrij gebed dat overeenkomt met de inhoud van dit gebed, moeten we geloven dat God ons graag verhoort.
Wat we moeten bidden
Woordelijke tekst van het Onze Vader
Onze Vader,
Die in de hemelen zijt!
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede,
gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking,
maar verlos ons van den boze.
Want Uw is het Koninkrijk,
en de kracht,
en de heerlijkheid,
in der eeuwigheid,
amen.
Aanspraak
Onze Vader, die in de hemel zijt
We noemen God onze Vader omdat Hij ons tot Zijn kinderen heeft gemaakt (Joh. 1:12). Onze Vader is in de hemel, wij zijn op aarde, dat wil zeggen in den vreemde in deze wereld, van Hem gescheiden, en in onze nood wenden we ons met onze smeekbeden tot Hem. Dat is onze positie voor God: we komen met lege handen en vertrouwen alleen op Hem.
We zeggen ‘onze Vader’ en niet ‘mijn Vader’, omdat we in het gebed niet alleen aan onszelf denken, maar met dit gebed in de gemeenschap van alle waarachtig gelovigen over de hele wereld onze God gezamenlijk smeken. Want omdat Hij onze Vader is, zijn wij onderling broeders en zusters en bidden ook voor de anderen zoals voor onszelf.
Dat we God smeken, laat zien hoe behoeftig we zijn, want we hebben niets van datgene waar we om vragen. We bidden dat Gods naam geheiligd wordt, want die wordt misbruikt. We gehoorzamen Gods wil niet, daarom bidden we dat Zijn wil geschiede. We bidden dat Zijn Koninkrijk kome, omdat we Gods heerschappij niet erkennen. Er heerst honger, daarom bidden we om brood. Ons karakter is door zonde getekend, daarom bidden we om vergeving en dat ook wij kunnen vergeven. We leven in voortdurend gevaar en ons geloof wordt aangevochten, daarom bidden we dat onze Vader ons voor verzoekingen behoedt. En ten slotte zien we ons omringd door kwaad en bidden we dat Hij ons daarvan bevrijdt.
1. Bed:
Geheiligd zij Uw naam
God is heilig, maar we bidden dat Zijn naam in ons geheiligd wordt. Als christenen dragen we Zijn naam, en omdat we ons als christenen bekennen, maar niet leven zoals christenen behoren te leven, wordt Zijn naam door ons gelasterd. Zijn naam moet echter geëerd worden doordat wij als kinderen van God Zijn karakter, Zijn wezen, herkenbaar maken, dat wil zeggen, dat we goed, rechtvaardig, barmhartig, eerlijk, vriendelijk en vredelievend zijn. Maar als we daarentegen kwaadaardig, jaloers, boos zijn, liegen of onrecht doen, brengen we zware schade toe aan Zijn goede naam, Zijn eer.
Door in het Onze Vader te bidden dat Zijn naam door ons geheiligd wordt, belijden we dat we niet zo leven dat Zijn naam door ons geheiligd wordt. We zouden hier niet om hoeven bidden als we volmaakt waren. Dat we niet tot eer van God leven, mag ons niet tot wanhoop brengen, want Hijzelf leert ons zo te bidden en onze verlangens uit te drukken om Zijn naam te heiligen, en daarom bidden we.
In dit opzicht mag niemand, ook geen christen, zichzelf bedriegen en denken dat hij bijzonder vroom is als hij zich niet bewust is van zonde. Daarmee verheft hij zich boven anderen en veracht hen. Dat is niets anders dan huichelarij en hoogmoed. Daarmee ontneemt hij God de eer die Hem alleen toekomt en zoekt hij zijn eigen eer.
God alleen is goed en heilig, maar wij zijn zondaars, de een net zo goed als de ander, en als God het schenkt dat we niet zondigen, dan is Hij daarvoor te prijzen.
*Wat heb je, dat je niet ontvangen hebt? En als je het ontvangen hebt, waarom beroem je je?* (1 Kor. 4:7)
2. Bed:
Uw Koninkrijk kome
Met deze bede erkennen we dat Gods Koninkrijk niet bij ons is en dat God ook in ons christenen niet de plaats heeft die Hem toekomt.
God is als Schepper van hemel en aarde rechtens Heer over alles, Hij die ons mensen geschapen heeft, is ook onze Heer, maar sinds de zondeval komt ieder mens in opstand tegen Zijn heerschappij, en deze opstand tegen God is de essentie van zonde. Deze wereld waarin we leven is door zonde getekend, en Christus noemt de duivel de vorst van deze wereld (Joh. 12:31), waarin zonde en onrecht heersen. Als christenen en Gods kinderen leven we daarom in den vreemde, in een godvijandige omgeving en lijden daaraan zolang we in deze wereld moeten leven.
Daarom bidden we dat Gods Koninkrijk kome, dat onze echte thuis is, maar we zijn ons ook bewust dat in onszelf Gods heerschappij weliswaar begonnen is, maar nog niet volmaakt is. God moet onze Heer zijn, maar voor zover we nog zondaars zijn, heerst Hij niet in ons. We hebben te strijden tegen verzoekingen om kwaad te denken en te doen. Anders dan de wereldmensen, die deze strijd en zulke lijden niet kennen, die volledig in het hier en nu leven, zelfbepaald en zelfgericht, kennen wij niets anders dan deze wereld en dit leven. Zij zoeken naar alles wat deze wereld kan geven: rijkdom, macht en genot, en denken niet aan de vergankelijkheid van deze wereld en hun leven.
Met deze bede erkennen we dat God ook in ons niet de plaats heeft die Hem toekomt en bidden we dat Gods Koninkrijk tot ons kome, dat wil zeggen, dat hier al begint wat in de hemel voltooid wordt, dat we Hem als onze Heer gehoorzamen, dat we niet meer onszelf toebehoren, maar Hem dienen. Waar Christus in ons regeert, wordt Gods Koninkrijk zichtbaar. Dat is vrede, zelfbeheersing, liefde, geduld en alle deugden.
We bidden ook dat Zijn Koninkrijk tot ons kome, niet dat wij tot Zijn Koninkrijk komen. Dit drukt uit dat het niet aan ons willen en lopen ligt, maar aan Gods barmhartigheid, als we – ondanks veel strijd – hier al ervaren wat Zijn heerschappij door Zijn genade in de gelovigen bewerkt. Maar we bidden niet dat Zijn Koninkrijk komt zodat we van Zijn gaven kunnen genieten en die in ons leven verwezenlijkt zien. God kan ze in Zijn genade geven; ze zijn de vrucht van een aan God toegewijd leven, maar we zoeken Hem niet om Zijn gaven, maar om Hemzelf.
3. Bed:
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel zo ook op aarde
Ook deze bede overtuigt eerst degene die zo bidt, zodat hij zichzelf erkent en veroordeelt en vervolgens hulp bij God zoekt en Zijn genade smeekt.
We zouden de Heer niet hoeven vragen dat Zijn wil geschiedt, als we overeenkomstig Zijn wil leefden. God heeft door Zijn geboden getoond wat overeenstemt met Zijn wil. Met deze bede belijden we dat we Zijn wil niet doen, dat wil zeggen, dat we Zijn gebod ongehoorzaam zijn, schuldig worden en straf verdienen.
Maar als we Gods rechtvaardige oordeel over ons aanvaarden, mogen we niet moedeloos worden, want door te bidden dat Zijn wil geschiedt, vragen we dat Hij ons van onze ongehoorzaamheid verlost en genade bewijst, zodat we Zijn wil kunnen doen.
In de hemel is geen eigen wil, zo moet het ook op aarde zijn. De duivel en Adam hebben echter hun eigen wil gedaan en zich tegen Gods wil verzet. Zo is de mens sinds Adam, dat wil zeggen, sinds de zondeval, van nature een rebel die zich tegen Gods wil verzet, onwillig om zich aan Gods wil te onderwerpen. Zijn eigen wil is alleen gericht op het doen van kwaad, omdat hij voortdurend tegen Gods wil strijdt. Wanneer een christen daarom bidt dat Gods wil geschiedt, vraagt hij dat zijn eigen, op kwaad gerichte wil niet geschiedt, dat wil zeggen, hij bidt tegen zichzelf: hij vraagt dat niet tot stand komt wat hij zelf wil, dat zijn eigen wil gebroken wordt, dat hij niets wil, omdat hij weet dat hij altijd anders wil dan zijn Heer.
We moeten begrijpen dat onze wil nooit goed is (zelfs als die goed lijkt). Gods wil is echter goed en staat tegenover de onze. Het is niet altijd duidelijk dat de menselijke eigen wil op kwaad gericht is, bijvoorbeeld wanneer we opzettelijk iets doen wat iedereen als kwaad ziet, zoals liegen, bedriegen, boos zijn of anderen schade toebrengen. Vaak richt de eigen wil zich op iets dat goed lijkt, maar toch in heimelijke boze bedoelingen geschiedt, doordat ik door het schijnbaar goede slechts mijn eigen voordeel of eer nastreef, of in ieder geval mijn wil wil doordrijven, en als die verhinderd wordt, zich daar niet bij neerlegt, maar boos wordt.
Helaas zijn er, vooral in christelijke kringen, aanbevelingen en programma’s die volledig vertrouwen op menselijke wilskracht, in de veronderstelling dat goede bedoelingen, de wil om die te verwezenlijken en discipline leiden tot een heilig en godvruchtig leven. Het is genade als God ons behoedt voor schijnbaar succes met zulke programma’s, want hun resultaat zijn trotse, eigenzinnige mensen, die getraind zijn om zich nooit aan God te onderwerpen en Zijn hulp te zoeken. Deze valse heiligen weten niets van hun zondigheid en dat ze volledig afhankelijk zijn van Gods genade, die alleen goed is.
De eigen wil wordt gebroken door te onderzoeken waarop onze wil gericht is en daaraan niet toe te geven, maar te doen waartoe we geen neiging in onszelf voelen. En zelfs als onze wil gericht is op het goede en uit zuivere motieven, moet die zich toch onderwerpen aan Gods wil, zodat hij leert dat hij niets wil, maar wacht op Gods wil.
In de eerste drie beden richten we onze blik op God, nu bidden we om wat we nodig hebben. Het woord “ons” maakt ons bewust dat we niet alleen voor God staan, maar samen met allen die in Christus geloven en de Vader aanroepen.
4. Bed:
Geef ons heden ons dagelijks brood
Het gewone brood geeft God aan alle mensen, ook aan hen die niet in Hem geloven en Hem er niet om vragen. Maar de mens leeft niet van brood alleen, maar van elk woord dat uit de mond van God komt. We vragen onze hemelse Vader om geestelijk voedsel.
Zoals we brood eten om ons te versterken, zo heeft de christen dagelijks het Woord van God nodig om in deze wereld stand te houden. Het is namelijk niet zo dat een christen geen moeilijkheden en problemen heeft om mee te worstelen. Hij weet echter dat alles wat hem overkomt, geschiedt naar Gods wil, ook dat we moeten lijden en sterven. Door het Woord van God worden we daarin gesterkt en bewaard. De preek op zondag in de kerkdienst en het dagelijks lezen in de Bijbel zijn als troost en hulp onmisbaar.
We kunnen God alleen kennen als Hij Zich aan ons openbaart bij het horen van de preek of het lezen van de Bijbel. Alleen door het Woord van God wordt men een christen en blijft men een christen. Het is de basis voor ons geloof, dat door Gods Woord wordt bewerkt en versterkt.
Daarom bidden we in het Onze Vader dat God ons theologen en predikers geeft die ons het Woord van God begrijpelijk uitleggen, zodat ons geestelijk leven behouden blijft. Het is een grote genade als we gelovige predikanten en predikers hebben.
5. Bed:
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren
Met het woordje “en” sluit de bede om vergeving aan, die we ook dagelijks nodig hebben. Want ook een christen zondigt en heeft vergeving van zijn schuld nodig. God vergeeft ons als we Hem onze zonden belijden. Maar we hebben altijd vergeving nodig, ook als we ons niet bewust zijn van schuld, want vaak herkennen we onze schuld niet. We kunnen er zeker van zijn dat de Vader ons vergeeft als we geloven dat Zijn Zoon aan het kruis volledig voor al onze schuld heeft betaald, ook al voelen we niet altijd de vrede in ons hart die daar meestal op volgt.
Het Onze Vader maakt duidelijk dat we alleen vergeving ontvangen als we ook zelf bereid zijn anderen te vergeven. Als we ons bewust zijn dat we zelf zondaars zijn, is het gemakkelijk om anderen te vergeven. De mens is echter eerder geneigd om de schuld van anderen duidelijk te zien, maar tegenover zichzelf mild te zijn en excuses voor zichzelf te vinden om zich te rechtvaardigen. We moeten echter streng zijn voor onszelf en anderen niet veroordelen. Als ons door een ander onrecht is aangedaan, hoeven we hem niet te straffen en recht voor onszelf te zoeken. Hij zal, net als wij, in God een rechtvaardige Rechter vinden. Als we hem veroordelen, verachten en verafschuwen, schaden we onszelf, want dat maakt ons blind voor onze eigen schuld, omdat we onze eigen neiging tot dezelfde zonde niet herkennen en hoogmoedig worden, omdat we onszelf moreel superieur achten. Een dergelijke houding maakt ons onbarmhartig, maar we moeten voor anderen bidden dat zij zich tot God bekeren.
6. Bed:
En leid ons niet in verzoeking
Hier vragen wij christenen om Gods hulp tegen de verzoekingen of beproevingen die ons onvermijdelijk tegenkomen, waarmee alles bedoeld is wat ons tot zonde zou kunnen verleiden. Aan zulke beproevingen zijn we voortdurend blootgesteld zolang we leven. Het leven van een christen is een voortdurende strijd tegen de beproeving, een geestelijke strijd tegen de zonde.
Beproevingen komen van binnenuit door de slechte neigingen van ons eigen hart, door influisteringen van de duivel, of van buitenaf door beelden, woorden of de slechte daden van andere mensen. Toch kan niemand zijn zonde verontschuldigen door te zeggen dat hij door anderen daartoe verleid is.
Er zijn verschillende soorten beproevingen te onderscheiden. De ene soort beproeving ontstaat bijvoorbeeld door ziekte, armoede of onrecht dat ons overkomt, en deze beproevingen kunnen aanleiding geven tot zondig gedrag, zoals woede, haat, bitterheid of ongeduld.
Maar er zijn ook beproevingen van een heel andere aard, die nog gevaarlijker zijn omdat men ze vaak niet als zodanig herkent, zoals rijkdom, macht, eer en lof. Die willen de mens verleiden tot hebzucht, gierigheid, hoogmoed en onmatigheid.
De beproevingen moeten we leren verdragen, ook niet vragen dat ze volledig van ons weggenomen worden, bijvoorbeeld dat we, als we ziek zijn, gezond worden, of dat we, als we arm zijn, rijk worden. We moeten ook niet per se proberen uit eigen kracht of met hulp van anderen de beproeving op te heffen.
Een christen moet veeleer standvastig blijven in de beproeving en niet toegeven, zodat die niet leidt tot zonde. Hiervoor hebben we Gods hulp nodig en bidden we dat we in de beproeving standhouden en ons niet opwinden of laten omverwerpen, dat God ons ervoor behoedt te zondigen, dat we de verleiding tot zonde weerstaan en dat de verleiding niet de overhand krijgt.
We bidden niet dat we geen beproevingen ervaren of dat de beproevingen volledig van ons weggenomen worden, want ze beproeven en versterken ons in het geloof, ze oefenen onze volharding, ze verzekeren ons dat we kinderen van God zijn. Door beproevingen herkent de christen dat hij van nature steeds tot zonde geneigd is en daar uit eigen kracht niet tegen kan. Hij herkent in de beproeving dat hij voortdurend Gods hulp nodig heeft, dat hij volledig afhankelijk is van Gods genade om niet in zonde te vallen, en dat maakt hem van harte nederig.
Jakobus 1:2
7. Bed:
Maar verlos ons van de boze
Ten slotte bidden we ook om de afwending van het kwaad dat ons in het leven kan tegenkomen. Bevrijd worden daarvan is een zorg voor ieder mens en ook voor de christen, maar belangrijker, en daarom bidden we eerst, dat Gods wil geschiede, dat Zijn naam geheiligd wordt. Want Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zijn belangrijker dan ons welzijn op aarde. Het kwaad op aarde kan echter zo de overhand krijgen, zoals oorlog, honger, epidemieën, dat de beproeving die daaruit voortkomt overweldigend kan worden, en als God ons daar niet uit bevrijdt, zouden we bezwijken.
Het kleine woordje Amen
In sommige Griekse manuscripten van het Evangelie wordt – volgens sommige overleveringen – na afloop een lofprijzing van God opgenomen, die ons de grootheid en almacht van God voor ogen stelt, die onze gebeden graag verhoort wanneer we bidden zoals Hij ons door Zijn Zoon Jezus Christus aan het hart heeft gelegd.